Back to overview

Dood en leven

Contributed by Toine Van Teeffelen on 19.10.2015:

Toine van Teeffelen

Bethlehem

18/10/2015

Vorige week dinsdag kreeg Mary’s zus Janet plotseling een zware hartaanval en overleed onmiddellijk daarna. Janet, 69 jaar, was een ongelooflijk warme persoonlijkheid, deed een groot deel van ons huishouden en was als een tweede moeder voor de kinderen. Van jongsafaan heeft Mary met haar samengeleefd, net als met haar moeder die een jaar geleden overleed.

Janet ziet er vredig uit in de open kist die is opgesteld in het familiehuis. Alsof ze slaapt. Haar gezicht lijkt te zeggen dat ze niet geleden heeft. In een kring om de kist mompelen familieleden weesgegroetjes en onze vaders. Ik bid een weesgegroetje namens Jara die in Nederland is en er niet bij kan zijn; de reis via Amman en de Allenby brug is te gecompliceerd, met alle spanningen van het moment. Rita en Norma, Mary’s zussen uit Parijs, die via Tel Aviv kunnen reizen, zijn er wel, evenals Rita’s zoon Gabriel.

Terwijl we buiten lopen legt Tamer aarzelend zijn arm om Mary’s schouder. We horen soms schieten, niet ver van ons vandaan bij het Graf van Rachel, dat door de Israeli’s in strijd met het internationaal recht is geannexeerd en omgebouwd tot een ommuurde burcht. We zijn alert op wolken traangas die onze kant kunnen opdrijven, en ook een ander soort gas, dat nog meer stinkt en in de ogen prikt.

De organisatie van de begrafenis vergt enig improvisatievermogen. De dag voor de begrafenis is er een winkelstaking vanwege de dood van een demonstrant uit het vluchtelingenkamp Dheisheh ten zuiden van Bethlehem. Op het moment dat hij door een Israelische kogel werd gedood stond hij volgens ooggetuigen naar de gevechten te kijken, die vlakbij het Jacir Palace hotel – het voormalige Intercontinental – plaatsvonden.

Met hulp van familie slaagt Mary er nog net op tijd in het overlijdenscertificaat te bemachtigen, want het Ministerie van Gezondheidszorg doet de deuren dicht op het moment dat een demonstratie vanuit Dheisheh-kamp Bethlehem binnentrekt. Bloemen kopen we op de begrafenisdag zelf wanneer de winkels weer open zijn. De familie besluit de aansluitende rouwdagen niet in de gebruikelijke hal te houden, bij het katholieke Antoniana huis voor ouderen, want daar kan traangas vanuit het Graf van Rachel binnenwaaien. In plaats daarvan huren we een hal in het Armeense klooster dat bij de Geboortekerk hoort.

De uitvaartplechtigheid is donderdag, eveneens in de Geboortekerk. Het moment waarop de naaste familie het gelaat van Janet kust voordat de kist dicht gaat, is intens. De hal in het Armeense klooster is gebouwd in de stijl van de Byzantijnse tijd met het bovengedeelte, schat ik, uit de Kruisvaarderstijd. De vrouwen, die in het zwart gekleed zijn, en de mannen zitten gescheiden in de zaal. Er wordt bittere koffie geserveerd.

Ik sta in de rij van de mannelijke familie die staande de handen schudt van degenen die binnenkomen en weggaan. In de drie dagen rouwtijd druk ik zo vele honderden handen van mensen die zich respectvol, meedogend, of gewoon vriendelijk betonen. Een enkele keer wordt een wijsheid over leven en dood te berde gebracht. Soms is er de nauwelijks verholen glimlach van iemand die lijkt te zeggen: “jij hebt geen keus dan je aan te passen aan die langdurige gewoonten hier.” Ooit duurde het rouwen acht dagen.

Vera Baboun, de burgemeester van Bethlehem, komt langs, en talloze bekenden of half-bekenden. Natuurlijk is het de gelegenheid om met elkaar tamelijk uitgebreid te spreken. Onder de vrouwen blijkt het gesprek vooral te gaan over de families, terwijl de mannen het meer over de politieke situatie hebben. De rouwdagen laten de overgang zien van de stille droefheid om het verlies van een geliefde naar de levendigheid van vele conversaties – alsof de familie en de gemeenschap na de dood van een van hen weer tot leven komt.

Af en toe komt er een toerist binnen, die nieuwsgierig een kijkje neemt in dit deel van de Geboortekerk dat normaal gesloten is. Iedereen zit op de mobiels naar het laatste nieuws te kijken. Twee advocaten vertellen elkaar met de nodige gesticulaties hoe soldaten huizen binnendringen. Van 12 uur ’s middags tot 7 uur ’s avonds zijn er bijna onafgebroken clashes voor Jacir’s Palace, het hotel. Demonstranten gooien of slingeren stenen of molotiv cocktails. De soldaten schieten vanuit de wachttoren of luikjes in de poort die opengaan; soms komen ze naar buiten gerend, of er verschijnen plotseling een aantal jeeps.

Weer is er iemand bij het hotel zwaar gewond, in het gezicht. De veranda en buitenkant van een huis vlakbij het hotel, van een zoon van een neef van Mary, staan in brand en zijn zwaar beschadigd door een soort vuurbom van het leger. Je kan daar beter sowieso niet wonen, al was het alleen al om de stank van traan- en andere gassen die blijven hangen. Iemand bij de rouwbijeenkomst vertelt dat zijn zoon niet naar school kan, want om de school te bereiken moet hij langs het hotel. Het kind speelt nu tussen de rouwenden.

De derde dag is er ’s ochtends mis in een van de Melkgrotkerken, bezoek aan het graf en daarna weer een rouwbijeenkomst met zoete broodjes, sterke koffie en water. “s Middags presenteert de familie kiddreh, een in dit deel van de West Bank bekende maaltijd – gekruide rijst met lamsvlees – die bij deze gelegenheden wordt gebruikt. “C’est la vie,” verzucht iemand.

There are no comments. Add one!